Fiertelommegang van Sint-Hermes

Zondag 11 juni 2017

Historiek

Oorsprong en betekenis

Op Drievuldigheidszondag - dat is de zondag na Pinksteren - gaat in Ronse traditioneel De Fiertel uit. Eigenlijk is de naam van deze gebeurtenis Fiertel - Ommegang en dit is De Ommegang met de Fiertel. Het woord Fiertel betekent eigenlijk het relikwieschrijn en vloeit voort uit het Latijn Feretrum, hetgeen draagbaar, gedragen reliekkast betekent.

De meeste oude ommegangen gebeuren op de dag van (of rond) de kermis. Het woord kermis komt van kerkmis en dit is de verjaardag van de eerste kerkinwijding. De allereerste kerkinwijdingen gebeurden in de zevende eeuw op Sinksen/ Pinksteren. De kermis/kerkmis te Ronse (en op vele andere plaatsen) wordt op de zondag na Sinksen gevierd. Een eerste band tussen Kermis en Ommegang ligt in de allereerste processie, waarin de relieken van de patroonheilige (Sint-Pieter) plechtig naar de eerste in te wijden kerk gedragen werden.

Maar de band tussen de Ommegang en de allereerste reliekenprocessie vervaagde tijdens de Middeleeuwen om plaats te maken voor de invloed van de Sint-Hermesrelieken - die ca.860 Ronse bereikten - en gaandeweg een bloeiende bedevaart deed ontstaan naar dit heiligenlichaam. Naar middeleeuwse gewoonte specialiseerde elk bedevaartsoord zich in een welbepaalde kwaal en dat was bij ons : allerlei geesteskwalen, gaande van hoofdpijn en depressie tot volslagen krankzinnigheid.

In de middeleeuwen bestond de bedevaart in de eerste plaats uit een lange voettocht, die soms maanden duurde (bvb. naar Rome of Compostela), maar toch minimaal een tocht van één dag inhield.

De lange ommegang betekent voor de Ronsenaar in de eerste plaats de vervanging van deze lange voettocht van de bedevaarders naar het bedevaartsoord. Aangezien de genezing alleen maar het antwoord van de heilige kan zijn op een fysieke inspanning (minstens een dagtocht) van de zieke bedevaarder, kunnen de Ronsenaars op de bijstand van hun eigen patroonheilige, de heilige Hermes niet rekenen. Zij kunnen immers niet op stap gaan naar hun eigen patroonheilige en weldoener en kunnen aldus ook niet genezen van hun geesteskwalen. Kwalen, voor wier genezing de bede- vaarders van heinde en verre naar Ronse toestroomden. Vandaar het franstalig gezegde ¨Saint - Hermes guerit les fous des environs, mais laisse les Renaisiens tels qu´ils sont.¨ en de spotnaam ¨Ronsische Zotten¨. Daarom maken de Ronsenaars jaarlijks een dagtocht (32 km) rond het heiligdom en rond de stad, over de mooie, maar lastige heuvelrijen . Zo leveren zij toch een fysieke inspanning en kunnen eindelijk ook alsechte bedevaarders in het plaatselijk bedevaartsoord (de krypte onder de Sint-Hermeskerk) terecht en om genezing vragen. Hierbij wordt het beschadigde lichaamsdeel (in Ronse : het hoofd) met het water van de heilige overgoten, wordt de rode stola over het hoofd gelegd en gebeurt de overlezing door de geestelijkheid.

Vanaf 1089 worden de relieken van de heilige Hermes vanuit hun vast graf, in een draagbaar schrijn door de bedevaarders (Fierteldragers) jaarlijks rond de stad gedragen. Niet door de geestelijkheid, maar door inwoners van de stad. Hiervoor dienden ze van de kanunniken van de Sint-Hermescollegiaal de toelating vragen. (Dit gebeurt nog steeds.) Daardoor wordt de oorspronkelijke betekenis omgekeerd : vroeger maakten de bedevaarders een ommegang rond het heiligdom met hierin het graf van de heilige, nu maken de relieken een ommegang rond het heiligdom.

Op die manier spant de heilige een beschermend lint rond de stad. Niet alleen tegen de aanvallen van de duivel (symbool van het kwaad - de kwaal van de geestesziekte) die hij overwonnen heeft, maar ook tegen de aanvallen van de roofridders uit de omgeving. Zo komt het dat de huidige stadsgrenzen nog steeds samenvallen met het circuit van de Ommegang. De Ommegang heeft vanaf het begin gebruik gemaakt van bestaande wegen, dit zijn de oude Romeinse en voor-Romeinse wegen. Aldus is de Fiertelommegang de neerslag van antieke geschiedenis, middeleeuwse vroomheid, politieke berekening en moderne folklore.

Tenslotte neemt de Fiertel de bedevaarder mee door enkele van de mooiste plekjes van de Vlaamse Ardennen.

Zo kan elkeen zijn eigen betekenis geven aan het Fiertelgebeuren.

Sint-Hermes

Gedurende eeuwen werden de Ronsenaars en de bedevaarders gekonfronteerd met een voorstelling van de Stadsheilige die algemeen aanvaard was: de Heilige Hermes. Deze zou aldus een hooggeplaatste Romeinse stadsprefekt geweest zijn, die als martelaar voor zijn geloof gestorven zou zijn. Een kleurrijke legende werd rond zijn personage, zijn familie en omgeving geweven, die door haar hoogstaande literaire waarde, alom geprezen werd en als waarheid aanvaard.

De plaatselijke inbeelding ging die notabele Heilige gaandeweg op zijn middeleeuws voorstellen: een edelman moest wel te paard rijden en zo ontstonden in onze Kollegiaal talrijke afbeeldingen in relief, kleur en op glas, waar de Heilige te paard te zien was. De allereerste nog bestaande afbeelding zien we op een gewelfsluitsteen (ca. 1475) in de noordelijke zijbeuk en enkele jaren later op een kraagsteen in de zuidelijke wand van het kanunnikenkoor.

Opvallend is dat de Heilige ruiter daar gans alleen op zijn paard voorgesteld is, maar die een zwaard omhoog steekt (later zal dat zwaard het embleem worden van ons Kanunnikenkapittel op het tegenzegel van die instelling) en zich met een rond schild beschermt.

Toch weten we dat reeds rond dezelfde tijd op een Noord-Henegouws gebedenboek de Heilige afgebeeld is, weliswaar met een zwaard, vergezeld van een geesteszieke uit wiens mond een vleermuisvormig duiveltje ontsnapt. Sint-Hermes wordt immers bij ons vereerd tegen allerlei geestesproblemen. Deze werden toen beschouwd als bezetenen van de duivel.

Nog later moest de geesteszieke plaats maken voor een waarlijke duivel, alhoewel de kanunniken de oorspronkelijke levensgrote beeldengroep van de Heilige in de beeldnis boven het Sint-Hermesaltaar (1507) aanvankelijk op de aloude traditionele manier wilden uitgebeeld zien: «8 ½ voet hoog, geharnast en te paard zoals de ruiters in die tijd afgebeeld werden, gewapend met een zwaard, met een lans in de rechterhand. Daarnaast een beeld van een duivel van ca. 5 voet hoog. Dit alles voor de prijs van 8 pond groten». In een volgend document vernemen we dat «het beeld van duivel en de beelden van de geesteszieken (1511)» moeten beschilderd worden.

Die – blijkbaar - toen gangbare afbeelding werd door sommigen verward : analoge voorstelling van de Heilige Martinus, eveneens, om dezelfde middeleeuwse inbeelding, als officier te paard uitgebeeld, vergezeld door de sukkelaar, voor wie de Heilige een deel van zijn mantel met zijn zwaard afsnijdt. Maar op het parochiezegel van de Ronsische (Sint-Martens of Sint-Hermes) staat die bedelaar met duidelijk twee horens op zijn kop! En het rondschrift vermeldt wel duidelijk dat het over Sint-Martinus gaat. We zien aldus dat de afbeeldingen van de twee te Ronse vereerde patroonheiligen elkaar tijdens de Middeleeuwen beïnvloed hebben.

Maar onze vraag is: komt dat traditioneel beeld van onze Stadspatroonheilige met de historische werkelijkheid overeen? Was de Heilige Hermes inderdaad een martelaar? Was hij een Romeinse hoogwaardige? Bestond Hermes inderdaad? Of was hij louter een legende?

Toen op het einde van de XVIde eeuw, de Brusselse Jezuiëten het genootschap van de Bollandisten (naar de naam van hun stichter Bolland) stichtten om (uit reactie tegen de Protestanten die de al te bijgelovige heiligenverering en legendarische hagiographie bij de Katholieken aanvielen) een wetenschappelijk – historisch onderzoek te starten naar de historiciteit van de vele heiligenlevens die toen circuleerden, vielen ze algauw op de bekende «Acta Papae Alexandri» waarin de ons bekende legende van de Heilige Hermes voorkomt. Reeds bij een eerste lezing van die legende viel het de historisch uiterst grondig gevormde Jezuiëten op dat de funktie «Prefekt van de Stad Rome» nooit bestaan had en dat de tekst geschreven was geweest door iemand die van de politieke en administratieve toestand in het oude Rome niets kende. In één van de dikke folianders van hun Acta Sanctorum die in de XVIIde eeuw uit de persen rolde, schreven ze dat die hele legende uiterst twijfelachtig was. Weldra kwamen ze er achter dat de auteur van de legende een Zuid-Franse bisschop van Vienne uit de IXde eeuw - een zekere Ado - was die niet aan zijn proefstuk was en die (op bestelling misschien) heiligenlevens aan de lopend band leverde. Zijn taktiek is interessant: hij zocht een zeker aantal nauwelijks bekende (maar waarschijnlijk authentieke) heiligen bij elkaar, en liet die als toneelakteurs met malkander optreden, converseren en handelen. Door de literaire knappe konstruktie van zijn oeuvre, kende dit stuk een vlugge bekendheid. We kunnen wel veronderstellen dat Bisschop Ado zijn literair gewrocht wel niet voor de monniken van Ronse zal gemaakt hebben, of misschien zelfs niet voor de monniken van de Abdij van Cornelimünster op de Inde, maar eerder voor de Kathedraal van Salzburg waar Hermes de 3de Patroonheilige was.

Gedurende de XVIIIde en XIXde eeuw bleef de legendaire kwaliteit van die Hermeslegende de historici kwellen, maar in het begin van de XXde eeuw grepen kerkhistorici en –archeologen het probleem aan op wetenschappelijke wijze. Daarbij gebruikten ze (of ontdekten) twee betrouwbare bronnen. De eerste was een louter historische bron: nog tijdens de IVde eeuw, korte tijd na de definitieve vrijlating van het Christendom, gaf Paus Liberius( 352 -–363) aan een Griekse monnik Philocalus opdracht om een kalender op te stellen van twee te Rome vereerde martelaars. Op 28 augustus noteerde die hagiograaf (legendenschrijver) «Hermes (gestorven en begraven) in de Katakombe van Basilla op de Via Salaria Vetus». Basilla was de eigenares van de (nog steeds bekende maar toeristisch niet toegankelijke) katakombe. Aldus wisten we toch een en ander met zekerheid over onze Stadspatroon: Hermes was een echte martelaar, was gestorven en begraven op een 28 augustus, en dat hij begraven lag in een nog bestaande katakombe op de oude Via Salaria (thans Via Bertolini, onmiddellijk voor de Ambassade van Israël aan de linkerkant van de straat).

 Maar door de bekendheid van Hermes te Rome in de Karolingische tijd (IXde eeuw) ontsnapte Hermes (helaas) aan de massieve verhuizing van de honderden martelaarsbeenderen uit hun katakombe (die allemaal buiten de stadsmuren van Rome lagen) om ze te ontrukken van de belegerende Longobarden en ze in veiligheid te brengen binnen de Stad.

Enige tijd later lieten zich een groep Benediktijnermonniken precies boven op de Katokombe van Hermes neer; bouwden er een klooster – en in plaats van er een kerk te bouwen – groeven er in de tufgrond een ondergrondse kerk (die nog bestaat), waarbij een aantal grafgangen uitgeboord werden en meerdere tientallen schuifladen–graven verdwenen, waaronder ook dat van Hermes, dat waarschijnlijk op de plaats gelegen had van het Karolingisch altaar. Dit enig positief gevolg van die aktiviteit was dat in de apsis van die ondergrondse kerk een fresco werd geschilderd waar we de (waarschijnlijk oudst bekende) afbeelding van Hermes zien tussen Benedictus (stichter van de er verblijvende monniken) en Michaël .

Maar de slechte toestand van die katakombe ontmoedigde de leden van de archeologische school van het Vatikaan niet om in het begin van de XXe eeuw in de grond van die vernielde katakombengangen te gaan graven en het toeval beloonde hen in twee verschillende campagnes vonden ze fragmenten van een grafschrift dat destijds op last van Paus Damasus (363 – 384) op Hermes’ graf aangebracht was geweest. Een eerste regel liet de tekst vervolledigen: «Destijds heeft, zoals het gerucht ons geleerd heeft, Griekenland U ons gestuurd». Een andere vondst leverde ons andere fragmenten van hetzelfde opschrift, waar de naam van «Hermes» te lezen stond.

Dus leren we uit die marmerfragmenten dat Hermes uit Griekenland te Rome aangekomen is en de uitdrukking «Griekenland heeft U ons toegestuurd» zou er kunnen op wijzen dat Hermes misschien als een soort Griekse missionaris te Rome het evangelie is komen prediken.

Verder kunnen we ook veronderstellen dat Hermes misschien of zelfs waarschijnlijk een slaaf of vrijgelatene is geweest. De Romeinen gaven hun slaven dikwijls godennamen om er mee te spotten. Men kan zich inbeelden dat ze een ietwat traag uit de voeten kunnende, oudere slaaf met de bijnaam versierden van de vlugge en gevleugelde godenbode Hermes of Mercurius. De legendarische biografie van Hermes, van zijn familieleden en van de door bisschop Ado bijeengeraapte gezellen kunnen we niet alleen door de literiarie tekst zoals de Bollandisten gepubliceerd hebben (onder de zoeknamen van Alexander, Quirinus en Hermes) maar ook onder de in versvorm vervormde tekst zoals die in 1089 op het Romaanse reliekschrijn aangebracht werd als randteksten van een 6-tal reliëftaferelen. Luister naar de legende: «Hermes is stadsprefekt te Rome en heeft een zoon die zwaar ziek is; niettegenstaande de smekingen van de blinde voedster van het kind, blijft Hermes alleen maar de heidense goden offers brengen. Hermes antwoordt : ge zoudt beter zelf om hulp zoeken bij Uw christene priesters voor uw dode ogen. De voedster spoedt zich naar Paus Alexander die haar het zicht terugschenkt. Ze komt terug, draagt het (intussen overleden) kind naar de paus die ook het kind weer levend maakt. Als Hermes het mirakel ziet, bekeert hij zich en laat zich door Alexander dopen. Zowel Alexander als Hermes worden aangehouden, de geketende Alexander wordt opgesloten in de kelders van een officier Quirinus (zie het beeld op het altaar van Sint-Hermes in onze kerk) en Hermes, als vooraanstaand gevangene, krijgt huisarrest bij dezelfde Quirinus. In de avond als beiden over religie discuteren, brengt een engel met een toorts Alexander ongeketend naar boven. Quirinus gelooft moeilijk dat nieuwe mirakel en daagt de paus uit om zijn dochter Balbina, die aan een huidziekte lijdt, stante pede te genezen, wat zonder moeite lukt, met de hulp van de afgelegde kettingen waarmee Alexander geboeid was geweest. Quirinus en Balbina bekeren zich en worden ter plekke door Paus Alexander gedoopt. Allen worden aangehouden en door de wrede Aurelianus ter dood veroordeeld. Hermes zijn zuster Theodora zorgt voor een deftige begrafenis van de martelaars.

De namen van al die protagonisten worden door de auteur Ado blijkbaar niet verzonnen, maar horen bij nagenoeg onbekende heiligen, maar die niets met elkaar te doen hebben. Bij een nader onderzoek van de legende, komen enkele andere merkwaardige eigenaardigheden aan het licht. Zo leren we dat dezelfde legende letterlijk gebruikt wordt in de Kanunnikessenkollegiaal te Neuss (en misschien ook in de Benedictijnerabdij te Malmedy) toegewijd aan de H. Quirinus. Overal waar de naam Hermes in de legende vermeld staat, lezen we er Quirinus en vice versa.

Verder zien we dat in de Ronsische versie van de legende staat dat «op het ogenblik van zijn onthoofding Hermes aan God vraagt dat Hij op zijn voorspraak alle geesteszieken van de bezetenheid van de duivel mogen genezen worden ». Welnu, die zin ontbreekt overal buiten Ronse in de legende! Dus hebben de Ronsische kanunniken die zin in dit reeds legendarische passieverhaal ingeschoven. En het is juist die zin die op één van de lange zijden van het huidige reliekschrijn van ca. 1630 (waarmee men jaarlijks de Fiertelommegang doet) gereproduceerd wordt. Een ander detail is merkwaardig : bij zijn bekering geeft Hermes aan al zijn slaven de vrijheid. Noteer wel dat dit detail niets te maken heeft met het feit dat de echte Hermes misschien zelf een slaaf was, maar wel dat de problematiek van het afschaffen van de slavernij in de Karolingische tijd (zowel de Noormannen als de Arabische veroveraars maken enorm veel slaven) op basis van de christelijke etiek.